Energietransitie broodnodig; wie betaalt wat?

Energietransitie, wie betaalt?

Auteur: Dr. T.W. Fens, Senior Research fellow Economie van Infrastructuren, faculteit Techniek, Bestuur en Management, TU Delft


De doelen zijn gezet: halveren van de CO2-emissie en van het aardgas af. Het is nodig, het is ambitieus, en het is vooral ook heel prijzig. Wie gaat dat betalen?

De weg naar energietransitie

Er ligt een indrukwekkende reeks van akkoorden:

  • Het bijna vergeten Kyoto 1997 akkoord en het 2015 Parijs akkoord dicteren dat we naar een samenleving gaan zonder CO2 emissies.
  • De nationale implementatie daarvan zien we terug in het regeerakkoord 2017: het resultaat van diverse eerdere akkoorden zoals het 2013 Energieakkoord 1.0, de 2016 Energieagenda, de jaarlijkse Nationale Energieverkenningen en het op 10 juli 2018 door het kabinet gepubliceerde hoofdlijnen Klimaatakkoord.
  • De details van dit klimaatakkoord worden op dit moment uitgewerkt en eind 2018/begin 2019 wordt er een Energieakkoord 2.0 verwacht met daarin concreet wat er tot 2030, en verder naar 2050, nodig is om de energietransitie te realiseren. Dit wordt dan ook vastgelegd in een Klimaatwet.

Het huidige kabinet heeft in het regeerakkoord als klimaatdoelstelling vastgelegd om in 2030 de CO2 uitstoot nagenoeg te halveren (49%) ten opzichte van 1990, terwijl de huidig geldende 2020-doelstelling van 20% al een forse uitdaging is.

Hoe bereiken we ons doel?

Om deze klimaatdoelstelling te halen is een reeks van maatregelen, samen genaamd de energietransitie, nodig:

  • Besparen, door het gebruik van isolatie en zuinige apparatuur. Duurzaam opwekken van zowel elektriciteit als warmte: elektriciteit van zonnepanelen en windturbines, en warmte uit groen gas, biomassa en geothermie. Opslaan van elektriciteit en warmte, omdat deze natuurlijke bronnen niet altijd continu beschikbaar zijn: opslag van elektriciteit in accu’s, opslag van warmte ondergronds in WKO (Warmte Koude Opslag) dan wel nieuwe warmte buffersystemen (latent, faseverandering of thermochemisch). Elektrisch rijden met batterijen dan wel op waterstof.
  • Opvangen, opslaan en hergebruiken van CO2-uitstoot (CCSU: Carbon Capture, Storage en Usage) waar het vermijden van uitstoot echt niet anders kan.,

Voor hernieuwbare elektriciteit zijn we al redelijk onderweg met windturbineparken en zonnepanelen in weides en op daken. Ook met elektrisch vervoer is een redelijke start gemaakt. Met warmte, vrijwel geheel gebaseerd op aardgas, is het een ander verhaal. Nederland zonder aardgas in 2050, en misschien eerder gezien de sluiting van het Groningen veld per 2030, blijkt een grote uitdaging te zijn, vooral voor de gebouwde omgeving. In dit artikel ligt de focus op de gebouwde omgeving en warmte.

Regierol van overheden

Decentrale overheden dragen een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor de energietransitie. Zij krijgen een regierol bij het implementeren van de transitie op lokaal niveau en faciliteren duurzame lokale opwekking en elektrisch vervoer (laadpalen en waterstof tankstations). Ook zullen zij de warmteplannen schrijven die nodig zijn om minder aardgas af te nemen; in 2021 moeten deze plannen klaar zijn. De provincies stemmen al deze plannen op regionaal niveau af. De centrale overheid heeft al de beleidslijnen uitgezet maar dient ook te faciliteren met stimulerende maatregelen zoals subsidies. Ook het formuleren van beleid op het gebied van standaardisatie met betrekking tot zowel de elektriciteitsvoorziening als de warmtevoorziening is een taak van de centrale overheid. Daarnaast speelt ook per 2019 de omgevingswet een voorname rol. Er zullen vergunningen nodig zijn voor de aanpassing van de infrastructuur: voor warmtenetten, windparken, zonneweides, biomassa vergisters/centrales en opslagsystemen (zoals de eco-vaten voor warmte).

De financiën

Het merendeel van de maatregelen is gebaseerd op bekende en verkrijgbare technologie dus men wordt het aan de klimaattafels wel eens over de maatregelen. Daarnaast zullen er, door een hoge mate van ontwikkeling, binnen afzienbare tijd nieuwe schone technologieën marktrijp worden: ontwikkeling van zonnepanelen, windmolens en batterijen. In de toekomst komen daar waterstofzaken zoals brandstofcel auto’s en elektrolysers bij, met groene stroom als input en waterstof als output. Maar in het woord marktrijp ligt nog even een aandachtspunt: wie gaat dit allemaal betalen?

We weten nu al dat vanaf 2021 jaarlijks 50.000 woningen verduurzaamd moeten worden, oplopend tot 200.000 per jaar, ruim voor 2030. De kosten hiervan bedragen 20.000 tot 50.000 euro voor een gemiddelde woning. Het voorstel is om dit rendabeler te maken door de gasprijs met 20 eurocent per m3 te verhogen en de stroomprijs met 7 eurocent per kWh te verlagen. Dit betekent bij een gemiddeld gasverbruik per huishouden van 1500 m3/jaar en een gemiddeld elektriciteitsverbruik van 2000 kWh per jaar een kosteneffect van enerzijds +300 euro en -200 euro per huishouden.[1]  Het is echter een illusie om te denken dat al het gasverbruik één op één overgezet kan worden op elektraverbruik. Inductie koken is energetisch niet het gunstigst en aansluiten op een warmtenet kost al snel enkele honderden euro’s per jaar meer dan met gas verwarmen. De hoop is gevestigd op woningcorporaties die als ‘startmotor’ snel beginnen met het verduurzamen van twee miljoen huurwoningen.

Door schaalvoordelen te benutten hoopt de klimaattafel op een kostenreductie van in totaal €30 miljard, waar robotica nog eens voor 10 tot 15% extra besparing zou kunnen zorgen. Aquathermie (warmte van bijvoorbeeld oppervlaktewater) zou op termijn 25 tot 40% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving kunnen leveren. Woningen worden per wijk ofwel aangesloten op een warmtenet, ofwel ‘all electric’ verwarmd met warmtepompen. In 2030 is dan nog wel 2 miljard m3 duurzaam gas nodig voor woningverwarming. 

Kortom, de energietransitie is technisch mogelijk en lijkt organisatorisch ook realiseerbaar. Maar dan is er nog het prijskaartje….

Wie betaalt wat?

De energietransitie is door het Plan Bureau voor de Leefomgeving begroot op 0,5% van het Bruto Nationaal Product (BNP). In 2017 was het BNP 725 miljard Euro, dus de energietransitie zou zo’n €3,6 miljard kosten. Ter vergelijking: de zorg vraagt 4% van het BNP, dit was in 2017 zo’n €100 miljard, en dat konden we ook opbrengen.

De vraag is nu: wie gaat er voor de €4 miljard kosten per jaar voor de energietransitie opdraaien?

  • de overheid betaalt alles waarbij we dan feitelijk met z’n allen betalen (socialiseren ); de overheid haalt immers geld uit de samenleving middels heffingen.
  • iedere burger (of corporatie, wat de bewoner vervolgens berekend krijgt via de huur) draait zelf volledig op voor het energieneutraal maken van de woning.

Het zal duidelijk zijn dat de laatste optie niet reëel is: een gemiddelde woning verduurzamen kost 20.000 tot 50.000 euro. Daarmee zou de overheid zowel particuliere huiseigenaren en de woningcorporaties flink op kosten, en daarmee de gordijnen in jagen.

Wat is een reële situatie?

De verwachting is dat de oplossing ergens in het midden ligt. De overheid neemt maatregelen om de kosten binnen de perken te houden middels subsidies en fiscale maatregelen, zoals bijvoorbeeld het verlagen van de energiebelasting. De burger zal daarnaast zelf voor een deel van de kosten voor isolatie, warmtepomp en PV-panelen opdraaien.

Kortom: het kan niet anders dan dat energie flink duurder gaat worden, daar ontkomen we niet aan. En iedereen, niemand uitgezonderd, zal zijn steentje daaraan bij moeten dragen. We gaan het walhalla van lage energieprijzen in een rap tempo verlaten. De tijden van € 0,22/kWh voor elektriciteit en € 0,65/m3 gas zijn voorgoed voorbij.

 

[1] Uiteraard hangen de werkelijke cijfers af van de exacte samenstelling van het huishouden.

Dit artikel delen via: LinkedIn | Twitter | Facebook